Een bodemanalyse vermeldt 10⁸ CFU/g. Bij een volgend monster staat 10¹⁰ CFU/g. Dat is een honderdvoudig verschil. Maar betekent het ook dat de tweede bodem honderd keer beter functioneert?
Niet zonder meer. Een CFU-meting kan waardevolle informatie geven over micro-organismen die onder bepaalde laboratoriumomstandigheden groeien. Ze vertelt niet op zichzelf welke micro-organismen rond de wortel actief zijn, wat ze daar doen of hoe het gewas erop reageert.
Voor professionele telers ligt de waarde daarom in de combinatie: een goed uitgevoerde meting, kennis van het teeltsysteem en waarnemingen aan wortel en gewas.
Wat meet een CFU-test?
CFU betekent colony-forming units: kolonievormende eenheden. In het laboratorium wordt een verdund monster op een voedingsbodem gebracht. Micro-organismen die onder de gekozen omstandigheden kunnen groeien, vormen zichtbare kolonies. Die worden geteld en omgerekend naar bijvoorbeeld CFU per gram bodem.
Dat is een bruikbare methode voor een specifieke vraag. Tegelijk is het geen telling van al het microbiële leven in een monster. Sommige micro-organismen groeien niet op de gebruikte voedingsbodem of niet bij de gekozen temperatuur en incubatietijd. Een kolonie kan bovendien uit meer dan één samengeklonterde cel ontstaan. En een bacteriële kweekuitslag beschrijft niet automatisch ook schimmels en andere groepen micro-organismen.
In onderzoek waarin verschillende telmethoden voor bodembacteriën zijn vergeleken (opent in nieuw tabblad), liepen de uitkomsten uiteen naargelang de methode en de behandeling van het monster. De praktische les: lees een CFU-uitslag altijd samen met de onderzoeksmethode.
Van 10⁸ naar 10¹⁰ CFU/g: wat betekent dat verschil?
Rekenkundig is 10¹⁰ honderd keer zo veel als 10⁸. Voor een teler begint de interpretatie pas daarna.
Waren de monsters afkomstig van hetzelfde perceel en dezelfde diepte? Zijn ze in hetzelfde gewasstadium genomen? Ging het om bodem uit de wortelzone of om grond verder van de wortels? Is dezelfde laboratoriummethode gebruikt? En zijn beide resultaten op dezelfde manier uitgedrukt?
Als die voorwaarden verschillen, kan een vergelijking een verkeerd beeld geven. Zelfs bij goed vergelijkbare monsters zegt een hoger getal nog niet welke organismen zijn toegenomen of welke bijdrage zij aan de teelt leveren. Er bestaat geen algemene CFU/g-grens waarbij een bodem plotseling “gezond” wordt.
Een reeks metingen binnen hetzelfde systeem kan wél interessant zijn. Daarmee kunt u volgen of een waarde verandert na een aanpassing in het teeltmanagement. Beoordeel zo’n trend naast de bodemconditie, de wortelontwikkeling en de gewasgegevens. Ook richtlijnen voor bodemgezondheid van de USDA (opent in nieuw tabblad) benadrukken dat afzonderlijke meetwaarden context en vergelijkingen over tijd nodig hebben.
De wortelzone is belangrijker dan één totaalgetal
Micro-organismen spelen een rol bij processen rond organisch materiaal, nutriënten en wortels. Maar hun aanwezigheid alleen vertelt niet hoe die processen in uw teelt verlopen.
Direct rond de wortel, in de rhizosfeer, verandert de omgeving voortdurend. Wortels scheiden stoffen uit; watergift, zuurstof, temperatuur, pH en voeding beïnvloeden welke micro-organismen daar kunnen functioneren. Ook de bestaande microbiële gemeenschap speelt mee.
Daardoor kunnen twee monsters met een vergelijkbaar totaal aantal kweekbare micro-organismen toch sterk van elkaar verschillen. Voor een teeltbeslissing zijn vragen als deze vaak nuttiger dan “hoe krijg ik het hoogste CFU-getal?”:
- Hoe ontwikkelen de wortels zich in het teeltmedium?
- Zijn vocht, zuurstof, pH en voeding in de wortelzone op orde?
- Welke microbiële functie wilt u gericht ondersteunen?
- Past een geselecteerd micro-organisme bij dit gewas en dit systeem?
- Hoe gaat u beoordelen of de toepassing binnen het teeltprogramma waarde toevoegt?
Wilt u meer weten over die gerichte aanpak, lees dan hoe microbiële biostimulanten in professionele teelten worden ingezet.
